|
Onderzoek
Aan de uitvoering van de onderzoekstaak die het CPO meekrijgt zal een onderzoeksplan ten grondslag liggen. Het onderzoek van het CPO kan zich onderscheiden van het onderzoek op het gebied van de patristiek wereldwijd en hieraan tegelijk een unieke bijdrage leveren door de mystagogie van de kerkvaders tot uitgangspunt te nemen.
Onder mystagogie wordt het begeleide (om-)vormingsproces verstaan, waarin gelovigen door een bepaalde levensorde het innerlijk evenwicht verkrijgen, waarin zij steeds ontvankelijker raken voor het wezen en de werkzaamheid van God zonder de band met het concrete alledaagse bestaan en de gelovige gemeenschap te verliezen. Door deze insteek wordt ook aangesloten bij de brede interesse in spiritualiteit en de behoefte aan geestelijke vorming. Tegelijk wordt ook de voornaamste intentie van de kerkvaders zelf middels deze insteek serieus genomen. Als pastor, predikant of bisschop hadden zij immers vooral de bedoeling de gelovigen te vormen tot mensen die ontvankelijk raakten voor het mysterie en de genade van God.
Door de mystagogie van de Vaders als uitgangspunt te nemen wordt recht gedaan aan een hermeneutiek waarin het motto serieus genomen wordt dat 'iedere letter moet worden gelezen in de geest waarin zij is geschreven'.
Onderzoeksprojecten
De volgende onderzoeksprojecten zijn actief binnen het centrum:
Pelagius’ Libellus fidei: een onderzoek naar tekst, theologie en context
Peter van Egmond, september 2007 - september 2011
Kritische editie van de geloofsbelijdenis “Libellus fidei”, een werk van Pelagius († na 418 A.D.) dat was bedoeld als verweerschrift om zijn orthodoxie aan te tonen bij paus Innocentius I. Het betreft het laatste werk van de tot ketter verklaarde Brit en markeert de climax van (de eerste fase van) de pelagiaanse strijd over de verhouding tussen genade en vrije wil. Het werk is overgeleverd in twee tradities, pseudo-Hieronymus en pseudo-Augustinus; de algemeen voorkomende aanname dat de eerste traditie de beste tekst herbergt, wordt op zijn houdbaarheid getoetst. Lees verder.
Zelfkennis, vorming en therapie bij Augustinus
Martin Claes , september 2007 - september 2011
Als voormalig docent in de retorica, was Augustinus’ denken in hoge mate gevormd door klassieke literatuur en werken van denkers uit de oudheid. Dit is vooral zichtbaar in zijn vroege werken, maar – op een meer uitgebalanceerde wijze – ook in zijn latere werk. In dit onderzoek worden filosofische noties onder de loep genomen die door Augustinus als beelden worden gebruikt om het proces van menselijke omvorming te beschrijven en zijn lezers aan te sporen zich eveneens op deze weg in de interioriteit te begeven. Lees verder.
Over Augustinus’ waardering van angst en vrees
Paul van Geest
Dit onderzoek heeft betrekking op de wijze waarop Augustinus gevoelens als ‘vrees’ omschrijft of expliciteert. Augustinus’ denken over affecten als amor, dilectio, caritas zijn evenals over de concupiscentia reeds zeer vele studies verschenen. Zijn denken over de timor is evenwel nauwelijks onderwerp van studie geweest. Middels de hermeneutiek, waarmee in Stellig maar onzeker. Augustinus’ benadering van God cruciale teksten zijn ontsloten, zou een onderzoek naar Augustinus’ opvatting over de timor kunnen plaatsvinden. Lees verder.
Hugo Balls receptie van de kerkvaders
Frank G. Bosman, september 2008 - september 2013
Byzantinisches Christentum: Dadaïst Hugo Ball herleest Johannes Climacus, Dionysius de Aeropagiet en Simon de Styliet. Dit promotie-onderzoek probeert een voorzet te geven voor een eerste opvulling van deze leemte in de bestudering van de historische Avant-garde voor zover zij zich – expliciet of impliciet – op de kerkvaders en vroeg-christelijke mystici beroept. Daarbij zal het onderzoek gericht zijn op het boek Byzantinisches Christentum (1923) van de dadaïst Hugo Ball, één van de grondleggers van de Dada-beweging. Lees verder.
Nienke Vos
In haar onderzoek richt zij zich op de vraag hoe vroegchristelijke auteurs hun geloofsposities en levensidealen op hun publiek trachtten over te brengen. Daarbij worden verschillende genres onder de loep genomen, zoals het heiligenleven en de wijze spreuk, de brief en de dialoog, het traktaat en de preek. Speciale aandacht gaat uit naar de wijze waarop Bijbelse citaten en allusies in het weefsel van de teksten worden opgenomen. Welke Bijbelse teksten treffen we aan? Welke functies vervullen zij binnen het geheel van de vroegchristelijke tekst? Hoe communiceert de auteur zijn visie en hoe tracht hij zijn lezers te overtuigen? Vanuit dergelijke vragen wordt het materiaal geanalyseerd.
En verder:
Bram van de Beek's onderzoek heeft betrekking op de visie op de kinderdoop bij de Griekse kerkvaders.
Martien Parmentier en Liuwe Westra maken een gezamenlijke inventarisatie van de handschriften waarin de eerste credo’s zijn opgetekend om te komen tot een kritische editie hiervan.
Hans van Loon heeft zojuist een dissertatie afgerond naar de christologie van Cyrillus van Alexandrië.
Henk Bakker heeft onderzoek gedaan naar de martelaar Ignatius en gaat nu verder met een onderzoek naar het werk van de martelaar Polycarpus. Michiel Op de Coul doet onderzoek naar enkele Byzantijnse auteurs.
Elizabeth Boddens Hosang is gepormoveerd op de wijze waarop in de canones van de vroegchristelijke Concilies de verhouding tussen Joden en Christenen wordt gereglementeerd. Bart Koet's onderzoek gaat over ontwikkeling van het diaconaat in de vroege kerk.
Nadere gegevens volgen op deze site.
Het interuniversitair Centrum voor Patristische Studies (CPO) is een initiatief van
de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg.
Op alle pagina's is deze disclaimer van toepassing. (c) 2007 |