Kerkvaders en de Olympische Spelen

Nieuwsbericht, Nederlands Dagblad, 01-09-09

Vandaag verschijnt een nieuw boek over de studie van de kerkvaders. Zij leefden ook in een tijd van globalisering en sociale onzekerheid. "Het verhaal van de kerk is toen het sterkste gebleken.''

Moet Nederland zijn best doen om de Olympische Spelen binnen te halen? Dat is niet alleen nu een vraag met het oog op 2028. In 1925 vond de gereformeerde Anti-Revolutionaire Partij het maar niks dat het Rijk een miljoen gulden wilde investeren in de Spelen in Amsterdam, drie jaar later. In een Kamerdebat hield ARP-woordvoerder ds. H. Visscher, een hervormde predikant uit de Gereformeerde Bond, de minister het woord van Paulus voor: 'Want de lichamelijke oefening is tot weinig nut.'

Minister J.Th. de Visser, ook hervormd predikant maar dan van de ethische richting, van de Christelijk-Historische Unie, beriep zich in zijn reactie op Calvijn. Die schreef dat Paulus zich niet tegen sportbeoefening keert, maar tegen religieuze lichaamsoefeningen die mensen zich opleggen, zoals nachtwaken en vasten. Dominee Visscher kwam er in de tweede ronde van het debat op terug. Hij beriep zich liever op iemand die dichter bij de leefwereld van Paulus stond, de kerkvader Johannes Chrysostomus; die betrok de tekst wel degelijk op de sport.De gereformeerden kregen een Kamermeerderheid mee. Het miljoen van de overheid kwam er niet.

De tijd van de kerkvaders

In zijn hoofdstuk in het boek De status van de kerkvaders verdeelt Liuwe Westra de periode van de kerkvaders in een aantal perioden:

  • vanaf eind tweede eeuw: confrontatie met de gnostiek (die de menselijke ziel als goddelijk beschouwt, het Oude Testament minderwaardig acht en aan het lichaam – ook het lichamelijk lijden en opstaan van Christus – weinig waarde toekent). Belangrijkste auteurs: Irenaeus van Lyon, Tertullianus.
  • tegelijk: verantwoording tegenover heidense critici (apologetiek, verdediging van het christelijk geloof, bestaansrecht ervan aantonen volgens geldende religieuze en wetenschappelijke normen). Belangrijkste auteur: Justinus de Martelaar. derde eeuw: binnenkerkelijke discussies over Schriftuitleg, levensstijl en organisatie van de kerk. Belangrijkste auteurs: Origenes, Cyprianus van Carthago.
  • vierde en vijfde eeuw: dogmatische zoektocht om de drieeenheid van God te doorgronden en te verwoorden (uitmondend in de concilie-uitspraken van Constantinopel, 381, en Chalcedon, 451. Belangrijkste auteurs: Athanasius, Basilius, Gregorius van Nazianze, Gregorius van Nyssa.
  • vanaf eind vijfde, begin zesde eeuw: veel denkwerk over de bestemming van de mens, de onderlinge verhouding van genade, sacramenten, geloof en werken, en het leven na de dood. Belangrijkste auteurs: Augustinus (hoewel hij overleed in 431, heeft hij zijn stempel op alle theologische discussies in de vijfde en zesde eeuw gezet), Benedictus, Gregorius de Grote.

Die tijd is voorbij, schrijft theoloog Eginhard Meijering in het boek De status van de kerkvaders, dat vandaag verschijnt – de tijd dat een beroep op de kerkvaders indruk maakte in het publieke debat. En toch hebben de denkers uit de vroege kerk juist vandaag iets te zeggen, zegt Liuwe Westra, die dat boek samen met Meijering en Paul van Geest schreef. Waarom studie van de kerkvaders nodig is, en hoe zij in de loop van de eeuwen zijn gewaardeerd, daarover
gaat dat boek. "Onze situatie komt steeds meer overeen met de tijd van het Romeinse Rijk’’, zegt Westra.
"Vijftig jaar geleden wist je in Europa waar je bij hoorde, wat je geloofde, wat er van je verwacht werd. Die geborgenheid is weg. Mensen voelen zich onzeker in een grote wereld, waar krachten aan het werk zijn die ze niet kunnen overzien. Neem de kredietcrisis of de Mexicaanse griep – iedereen praat erover, maar niemand heeft er vat op. Ook nationale overheden zijn de greep op de maatschappij kwijt. De grote beslissingen vallen in internationaal verband, of bij de machtige multinationals.

Dat werpt je terug op de vragen: waar vind ik nu geborgenheid, en wat geloof ik? In het Romeinse Rijk hadden gewone
mensen ook niets over hun eigen leven te zeggen. De macht lag bij het leger en het grote geld. In de tijd van de
volksverhuizingen kon de rust zomaar worden verstoord door een stroom vreemdelingen. De bevolking van Rome, toen al een miljoenenstad, was voor z’n voedsel afhankelijk van graan uit Egypte, dat werd ingevoerd. Mislukte de oogst in Egypte, of was er politieke onrust, dan had je in Rome geen eten.’’

Fondsenwerving

Dr. Liuwe Westra (1966) is predikant van twee protestantse gemeenten in Friesland, Lollum en Burgwerd. Vóór theologie studeerde hij klassieke talen; van daaruit zijn taal en leefwereld van de kerkvaders hem vertrouwd. Begin volgend jaar gaat hij in deeltijd werken bij het Centrum voor Patristisch Onderzoek (CPO). Paul van Geest is directeur van dit studiecentrum, dat eind 2007 is opgezet door de Vrije Universiteit (Amsterdam) en de Faculteit voor Katholieke Theologie (Utrecht/Tilburg). Deels werd daarin bestaand onderzoek gebundeld. Voor nieuw onderzoek moest Van Geest de boer op om fondsen te werven.

De teller daarvan staat inmiddels op zo’n 1,2 miljoen euro, laat hij weten. Een aantal fondsen heeft "zeer veel geld’’ gegeven, waaruit onder meer de aanstelling van Westra wordt bekostigd. Maar die willen niet met hun naam of bedragen in de krant. Ook is er geld gekomen van "een rooms-katholiek bisdom’’, de Vrije Universiteit, een pauselijk wetenschappelijk instituut in Rome en een particuliere stichting. Verder betaalt de Leidse wetenschappelijke uitgeverij Brill de totstandkoming van een Christian Encyclopedia for Early Christianity, waarvoor
het onderzoek deels door medewerkers van het CPO gebeurt. Dat wordt een vijfdelige uitgave, die volgens plan op internet verschijnt tussen 2011 en 2015.

Westra gaat onderzoek doen naar geschreven geloofsbelijdenissen uit de eerste eeuwen. Hij onderscheidt daarin twee groepen: die van het Apostolicum (kernachtige samenvattingen van het christelijk geloof, waar een nieuwe christen ja op zei wanneer hij of zij werd gedoopt) en die van de Geloofsbelijdenis van Nicea (dogmatische formules die in de vorm van een geloofsbelijdenis werden gegoten). En de zeer persoonlijke geloofsbelijdenis, die jonge christenen zelf schrijven voor ze worden gedoopt of belijdenis doen? "Dat is echt iets van eind twintigste, begin eenentwintigste eeuw.’’

Op religieus gebied timmert tegenwoordig iedereen zijn eigen spiritualiteit in elkaar – ook dat herken je in de eerste en
tweede eeuw, zegt Westra. "De traditionele goden van je eigen familie hadden afgedaan. Mensen zochten hun heil overal: de een bij zonnegodsdiensten uit Perzië of Egypte, een ander bij de sterren, een derde geloofde dat er geen goden bestonden, of als ze bestonden, bemoeiden ze zich niet met mensen – je kon je het beste maar terugtrekken in je eigen ziel.’’

Temidden van die veelheid en verwarring, zegt Westra, is het verhaal van de kerk het sterkste gebleken. "De studie van de kerkvaders kan helpen om dat ook voor deze tijd opnieuw te ontdekken.’’

N.a.v. Paul van Geest, Eginhard Meijering en Liuwe Westra, De status van de kerkvaders. Geschiedenis, thema’s, perspectief, Meinema, Zoetermeer 200, 237 blz., 19,90 euro.

Bron: Nederlands Dagblad.

Het interuniversitair Centrum voor Patristische Studies (CPO) is een initiatief van
de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg.
Op alle pagina's is deze disclaimer van toepassing. (c) 2007