De eerste eeuwen van het christendom
Anti-joods of afbakening van de eigen identiteit?

Artikel, Volzin en De Kroniek, 26-09-08

Als je wilt weten hoe christendom en jodendom zich hebben ontwikkeld in de eerste eeuwen van onze jaartelling, waar ga je dan kijken? Het ligt voor de hand in de grote literaire bronnen te gaan kijken van de kerkvaders en de rabbijnse literatuur. Maar daar rijst meteen een huizenhoog probleem: wie zegt dat die religieuze leiders bezig waren met een nauwkeurige weergave van de werkelijkheid?

Er is een andere belangrijke bron, de archeologie, die soms een heel ander beeld geeft dan de literaire bronnen. Bekend is de theorie van Erwin Goodenough die schitterende afbeeldingen van joodse archeologie had uitgegeven in een dertiendelige serie. Hij concludeerde: er moeten twee soorten jodendom hebben bestaan. Er was het rabbijnse
jodendom dat zich aan de wettelijke regels hield die we kennen uit de Misjna (het joodse religieuze wetboek van de
eerste eeuwen van onze jaartelling). En daarnaast een meer mystiek en magisch jodendom dat we nu kennen uit de
archeologie.

De waarheid is natuurlijk dat er maar één jodendom bestond – of anders gezegd, dat er vele “jodendommen” bestonden. De rabbijnse literatuur is echter geen spiegel van de realiteit, maar meer een normerend en soms idealiserende voorstelling van zaken, waar magie en mystiek op gepaste afstand worden gehouden.

Hetzelfde geldt voor het christendom. De studie van Elisabeth Boddens Hosang, Establishing boundaries. Christian
Jewish relations in Early Council Texts
, op 10 september j.l. verdedigd aan de Faculteit Katholieke Theologie, bevat een revolutionaire benadering van de kerkgeschiedenis. Het klassieke beeld dat de kerkvaders ophangen is dat het
jodendom na de eerste eeuw wegkwijnde, zonder tempel en religieus achterhaald. Het boek Establishing boundaries
laat zien dat nog in de vierde eeuw joden de oogst van christenen zegenden! De bronnen voor deze feiten zijn kleine
concilies die vaak een plaatselijke kleur verraden. Daarin komen we meer van het gewone leven aan de weet dan
uit theologische tractaten.

Magische zegen

Zo is er het concilie van Elvira in Spanje rond 306 CE (Common Era, na Christus) dat verbiedt dat joden de oogst
zegenen. Ongetwijfeld hadden christenen het gevoel dat de eerbiedwaardige Bijbelse taal van het Hebreeuws de joodse zegen groot gezag verleende, tot leedwezen van de kerkleiding. De canon van Elvira spreekt zelfs van het gevaar dat de joodse zegen ‘onze zegen buiten werking stelt en zwak maakt’. De straf is dan ook niet mals: verwijdering uit de kerk. De schrijfster gaat vervolgens bij magische papyrusfragmenten te rade om ook daar te constateren dat joodse spreuken en hebreeuwse namen het erg goed deden, ook bij christenen en ‘heidenen’.

Een andere kwestie die regelmatig terugkeert is het samen eten van joden en christenen. ‘Als iemand van de clerus of
van de gelovigen eet met joden zal hij worden uitgesloten van de communio (gemeenschap of eucharistie?) zodat hij
wordt gecorrigeerd.’ De vraag is waar het hier om ging: religieuze maaltijden, bijvoorbeeld de Sederviering, of een
soort van gemeenschapsmaaltijden? Een interessante tekst in de rabbijnse literatuur die het boek niet vermeldt, betreft liefdadigheid. Het gaat om gaarkeukens die de joodse gemeenschap organiseert voor de armen. De vraag is: moet dat alleen voor joden bestemd zijn? Antwoord: nee, omwille van de vrede is dat voor iedereen, net zoals een jood ook een begrafenis van een nietjood bijwoont ‘omwille van de vrede’. Maar hier kan ook een bron van irritatie liggen: niet-joden mogen wel deelnemen aan joodse maaltijden, maar het omgekeerde kan niet, vanwege de spijswetten. Het concilie van Laodicea (zie hieronder) verbiedt zelfs om ongedesemd brood van joden aan te nemen! Hier gaat het misschien om een gebruik om nietjoden ook van het brood van Pesach te geven.

Een achterliggende kwestie zou kunnen zijn dat sommige christenen in Klein-Azië nog in de vierde eeuw het paasfeest niet op een zondag, maar op de veertiende Nissan vierden, dus samen met de joden. Ook hier gaat het erom, door een andere datum te kiezen, de geloofsgemeenschap af te grenzen van andere groepen. Dat staat misschien haaks op ons moderne gevoel om juist religieuze grenzen te overschrijden (wat overigens ook niet echt lukt), feit is dat religies zich op die wijze profileren. Het christendom is in veel opzichten nog bezig de eigen identiteit te consolideren en voelt zich overvleugeld door het jodendom. Nogal wat negatieve uitlatingen over de joden, bijvoorbeeld de beruchte scheldkanonnades van Johannes Chrysostomos, waren niet direct tegen de joden gericht, maar tegen christenen die zich aangetrokken voelden door de joodse feesten. Onderzoek heeft laten zien dat Chrysostomos zijn scheldpredicaties precies vóór joodse feesten hield, om zo zijn beminde gelovigen te weerhouden de eerbiedwaardige joodse feesten mee te maken.

Vrouwelijke presbyter

Deze canones nodigen uit om kerkgeschiedenis als het ware ‘tegen de keer’ te lezen: alle verboden, bijvoorbeeld ten aanzien van gezamenlijke maaltijden van joden en christenen, moeten wel veronderstellen dat het een bestaande
praktijk betrof.Zo is juist het verbod bewijs van het bestaan van het tegendeel. En passant krijgt de lezer ook nog een
belangrijke archeologische vondst voorgezet, waaruit het bestaan van een vrouwelijke presbyter blijkt (pagina 84).Nu
wisten we al van de Didascalia dat de christen de vrouwelijke diaken in ere moet houden,‘want ze is gestalte van de
heilige Geest’. Maar een vrouwelijke presbyter, al behoort die dan tot de secte van de Montanisten, verraste mij toch
nog. Zo nodigt deze studie van canones de theoloog voortdurend uit zijn zekerheden bij te stellen en de geschiedenis
nader te onderzoeken.

De protestantse lezer zal met name geboeid zijn door een andere canon van het concilie van Elvira: ‘Er mogen geen
afbeeldingen in de kerk zijn, opdat niet wat vereerd en aanbeden wordt op de muren wordt geschilderd’. Een beeldenstorm al in de vierde eeuw! Lastig om hier de historische situatie te achterhalen: gaat het hier om joodse
invloed?

We weten dat in één van de vroegste synagogen, die van Dura Europos, uitbundige bijbeltaferelen op de muren zijn
geschilderd, net zoals in vroegchristelijke kerken trouwens. Andere vroege synagogen hebben een hele dierenriem op
de vloer! Zou deze canon dan strenger zijn dan het jodendom wat beeldenverbod betreft?

Vroege kerken bevatten overigens afbeeldingen van Lazarus, de Goede Herder en Adam en Eva. Betekent kerk
(‘ecclesia’) in deze canon wel kerk? En verder: het beeldenverbod van Exodus 20:5 richt zich tegen alle afbeeldingen,
niet alleen die van God, maar daar hield Dura Europos zich dus ook niet aan. Kennelijk bedoelt onze canon dat er geen afbeeldingen van God of Christus op de muur mogen worden gemaakt. Mogelijk speelt mee dat nogal wat vroege kerken dichtbij een heidense cultusplaats gelegen waren, zoals die van de ‘geheimzinnige god’ Mithras, een Romeinse lichtgod, populair bij soldaten, wiens feest op 25 december viel. Muurschilderingen zouden dan gemakkelijk vatbaar zijn voor ‘heidense’ verering. Hoe dan ook, één kleine canon geeft heel wat stof tot overpeinzing en vraagt om een ruim overzicht van de archeologie.

Regelrechte verboden

De indruk van deze plaatselijke concilieteksten is dat een veel directer beeld geboden wordt van het plaatselijk leven
en van de verhouding tussen joden en christenen.Aangevuld met archeologie komen teksten van kerkvaders zelfs in een ander licht te staan: niet een massief anti-judaïsme, maar een plaatselijke strijd om de grenzen van de eigen religieuze identiteit te vestigen. Daarom ook mogen christenen zich volgens het concilie van Laodicea (in het tegenwoordige Turkije) rond het midden van de vierde eeuw zich niet onthouden van werk op de sabbat (wat ze kennelijk deden!).

Toch is er voor christelijke lezers geen reden voor opgelucht ademhalen. Het boek Establishing boundaries laat
nauwkeurig zien wanneer de aansporingen aan christenen overgaan in regelrechte verboden voor joden. Dat laatste
betekent natuurlijk dat de kerk op dat moment de macht bezat om ook bij joden zaken af te dwingen.Wereldlijke en
geestelijke macht werden kennelijk twee handen op één buik, niet direct na Constantijn en overal, zoals vaak gedacht
wordt, maar in elk geval wél in de zesde eeuw in Gallië.

De concilies van Orléans in Gallië geven de bekende waarschuwingen aan christenen tegen joodse feesten en tegen
gezamenlijke maaltijden, die kennelijk nog steeds plaatsvonden. Maar het derde concilie van Orléans, uit 538 CE, zegt:‘Joden mogen niet vanaf de dag van het laatste avondmaal tot Paasmaandag vier dagen bij christenen aanwezig zijn en zich niet mengen onder de katholieke bevolking.’ Geen twijfel aan, deze canon is niet langer tot christenen gericht, maar tot joden! En kennelijk beschikte men over middelen om de gedwongen beperking van bewegingsvrijheid af te dwingen. Ook blijkt dat als een jood een slaaf tot het jodendom liet overgaan, al zijn slaven verbeurd waren. Ook dat kon dus afgedwongen worden. Het is niet overdreven om hier een begin te zien van de Middeleeuwse repressie- en
segregatiepolitiek jegens de joden.

Apolegetische toon

De auteur Elisabeth Boddens Hosang merkt correct op dat deze maatregel mogelijk ter bescherming van de joden zelf
bedoeld was. Toch klinkt hier een wat apologetische toon door: zij legt er immers weinig nadruk op dat het dan wel
bescherming tegen christenen betrof. De ietwat romantische voorstelling dat contacten tussen joden en christenen
op het grondvlak gewoon doorgingen terwijl de kerkleiding zich uitputte in verboden, gaat hier niet langer op. En al zou
deze maatregel door de concilievaders als bescherming van de joden bedoeld zijn – wat ik betwijfel – dan nog moet
men zeggen: wie wind zaait zal storm oogsten.

De eeuwenlange anti-joodse prediking, steevast culminerend in de paastijd,moest zich wel vastzetten in de hoofden
van de christengelovigen en zo leiden tot fysieke gewelddaden jegens de joodse gemeenschap. Geen opluchting dus
aan christelijke zijde als men deze fascinerende studie doorleest. Wel is het een adembenemende ervaring om de overgang van afgrenzing van de christelijke identiteit naar agressie jegens joden bijna op het jaar precies te kunnen aanwijzen.

Het beeld van agressie jegens joden wordt bovendien bevestigd door de bekende Geschiedenis der Franken van
Gregorius van Tours, geografisch in de buurt van het concilie van Orléans. Ook daarin komen meerdere verhalen voor
van gedwongen bekeringen of verdrijving van joden. De lezer zal overigens nog even geduld moeten hebben.
Het boek Establishing boundaries zal volgend jaar verschijnen in de serie Jewish and Christian Perspectives, bij uitgeverij Brill in Leiden. Deze serie is resultaat van een jarenlange samenwerking tussen de Faculteit Katholieke
theologie te Utrecht, de Bar Ilan universiteit en het Schechter Instituut voor Joodse studies in Jeruzalem. Meer informatie.

Bron: De auteur is Marcel Poorthuis, coördinator van de werkgroep Relatie Jodendom Christendom (RJC), Faculteit Katholieke Theologie te Utrecht (Universiteit van Tilburg). Dit interview is gepubliceerd in Volzin en in De Kroniek (Katholieke Raad voor Israël). In deze digitale weergave van het interview is de redactionele opmaak van De Kroniek gekozen.

Het interuniversitair Centrum voor Patristische Studies (CPO) is een initiatief van
de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg.
Op alle pagina's is deze disclaimer van toepassing. (c) 2007