|
Kerkvaders waren niet anti-joods
Interview, Friesch Dagblad, 11-09-08
De contacten tussen joden en christenen waren - anders dan wat doorgaans wordt aangenomen - tot ver in de elfde eeuw nog heel hecht, concludeert Elizabeth Boddens Hosang vandaag tijdens haar promotie aan de Universiteit van Tilburg. "De kerkvaders waren niet anti-joods, maar bezorgd over de populariteit van de joodse kerk onder hun gelovigen.”
Boddens Hosang (Parijs, 1961) promoveert vandaag aan de Faculteit katholieke theologie van de Universiteit Tilburg op de betrekkingen tussen joden en christenen in de vroege eeuwen van het christendom. Promotores zijn prof. dr. Gerard Rouwhorst en prof. dr. Paul van Geest.
Dat de contacten tussen joden en christenen nog zo lang hecht bleven, was de grootste verrassing voor Boddens Hosang tijdens haar onderzoek. "Preken van de kerkvaders en theologische traktaten uit de eerste eeuwen na Christus wekken de indruk dat de scheiding tussen joden en christenen al begint in de tweede eeuw.” Het gaat bijvoorbeeld om preken waarin de kerkvaders de gelovigen opriepen níét naar de synagoge te gaan, samen met joden te eten of met hen te trouwen.
In het onderzoek van Boddens Hosang is een grote rol weggelegd voor Johannes Chrysostomos (345-407). Deze kerkvader hield in het jaar 386 een serie ‘bulderpreken’ tegen de joden. "Deze preken worden vandaag de dag als anti-joods gezien. De vraag is of ze écht anti-joods zijn of dat ze op een andere manier moeten worden gelezen.”
Voor Boddens Hosang, zelf katholiek, werd het gaandeweg haar onderzoek steeds duidelijker: Johannes Chrysostomos preekte niet tegen de joden, maar tegen zijn eigen gelovigen. Ze baseert dat met name op concilieteksten uit de vierde tot de zesde eeuw, uit het westelijk en oostelijk Middellandse Zeegebied. Uit deze verslagen van de kerkelijke vergaderingen blijkt dat de grenzen tussen de twee groepen nog niet zo duidelijk waren als in latere tijden. Van elk concilie besprak ze die canones, kerkelijke bepalingen, waarin iets gezegd wordt over de interactie tussen christenen en joden. "Die bepalingen van de concilies (kerkelijke vergaderingen) laten zien dat de christengelovigen het heel normaal vonden om van hun joodse buren te lenen, met hen te eten en tijdens de joodse feesten mee te gaan naar de synagoge. Ze laten ook zien dat dat tegen de zin van de kerkleiders gebeurde.”
Boddens Hosang bestudeerde ook archeologisch materiaal uit de betreffende gebieden - ze studeerde Egyptologie en archeologie in Londen. "Dit materiaal ondersteunt de gegevens uit de teksten. Er blijkt bijvoorbeeld uit dat in Antiochië waar Chrysostomos zat, een grote joodse gemeenschap was, en dat beide groepen door elkaar heen woonden.”
Wanhopig
Met al die gegevens in haar achterhoofd is Boddens Hosang opnieuw naar de preken van Chrysostomos gaan kijken, vertelt ze. "Chrysostomos werd er langzamerhand wanhopig van dat gelovigen die ’s zondags in zijn kerk zaten op zaterdag vrolijk naar de synagoge holden, en daar geen problemen in zagen.”
Daarom hield hij de gelovigen voor dat ze dat als christen niet meer hoorden te doen, stelt Boddens Hosang. "Niet omdat hij tegen joden was, maar om de christelijke identiteit af te bakenen. Johannes Chrysostomos hield zijn zogenoemde ‘anti-joodse’ preken voornamelijk op het moment wanneer hij zijn gelovigen naar de synagoge ziet gaan tijdens de grote joodse feesten in het najaar. Dit soort gegevens suggereert een hechtere band tussen joden en christenen waar de kerkleiders wel op moesten reageren.”
Om de christelijke identiteit af te bakenen stelden de kerkleiders vast wat er wel en niet was toegestaan in de concilieteksten. "Je moet bedenken dat het de eerste eeuwen van het christendom waren en dat de theologie zich aan het ontwikkelen was. Tot hun frustratie aten de gelovigen nog geregeld met hun joodse buren. Dan denk je: wat geeft dat nu, samen eten? Maar eten bracht natuurlijk hele liturgische praktijken met zich mee. En dan werd het weer knap lastig: wat is nu christelijk, wat is nu joods. De richtlijnen om de gelovigen op het ‘rechte pad’ te houden waren niet zozeer geïnspireerd door anti-joodse gevoelens, maar ingegeven door de wens duidelijke grenzen te stellen tussen deze twee zo verwante religieuze groepen.”
Het mocht echter niet baten. "De gewone gelovigen hadden geen problemen met elkaar. Die situatie duurde zelfs tot ver in de elfde eeuw. Eigenlijk kun je pas spreken van een echte scheiding van de twee groepen in de middeleeuwen. Het is logisch dat daar de relatie stokt. In die tijd kreeg je een enge combinatie van kerk en politiek, en van afzondering van de joden. Steeds vaker worden ze dan ook afgeschilderd als godsmoordenaars.”
Gelovigen zoeken altijd wel hun eigen weg, los van wat de kerkleiding hen oplegt, concludeert Boddens Hosang, ook lid van de Katholieke Raad voor Israël. Toen ze - uitgenodigd vanwege haar onderzoek - op een congres in Rome over de relatie tussen de Rooms-Katholieke Kerk en de joden - eens iets dergelijks zei ("we moeten het maar overlaten aan de gewone kerkleden”) keken enkele prelaten haar wat fronsend aan. "Toch komt het daar uiteindelijk op aan. Ik neem het de kerkleiding niet kwalijk; zij moeten regels bepalen. Maar nu zie je hetzelfde gebeuren: er gebeurt veel op klein lokaal niveau, tussen mensen onderling.”
Vijf jaar heeft ze aan haar onderzoek gewerkt, twee dagen per week. De overige dagen werkt ze als identiteitbegeleider op katholieke basisscholen. Het is goed om daar tegelijkertijd mee bezig te zijn, vindt ze. "Dan sta je met beide benen in de realiteit. Iedere keer werd ik geconfronteerd met de vraag: wat betekent het nu voor mensen hier en nu? Wetenschappelijk onderzoek is heel nuttig, maar het is vooral boeiend als het een bijdrage kan leveren aan de maatschappij.”
In de context
"Ga teksten nooit uit hun context halen; kijk altijd wie het wanneer en op welk moment geschreven heeft, en aan wie en waarom, anders kun je rare interpretaties krijgen”, verwoordt ze de algemene boodschap van haar onderzoek. Een joodse hoogleraar uit New York kwam tijdens het congres in Rome naar haar toe, en vertelde dat haar onderzoek wel degelijk verschil maakte. "Hij en andere joden vertelden me dat ze opnieuw wilden kijken naar teksten die als anti-joods waren bestempeld. ‘Dit vinden we interessant’, zeiden ze. Wij kunnen nú natuurlijk niet meer gaan herspellen wat er de afgelopen eeuwen gebeurd is in de relatie tussen christenen en joden. Maar het is goed om te beseffen dat het in die eerste eeuwen een kwestie is geweest van verkeerd interpreteren. Dat de relatie heel hecht is geweest en ook nu hecht kan zijn.”
Dat is de tweede boodschap van haar onderzoek naar de verslagen van de concilies van ruim anderhalf millennium geleden: "Je kunt het vertalen naar de omgang tussen joden en christenen nú. Dat zij honderden jaren geleden zo goed en geïntegreerd met elkaar konden optrekken, kan ons motiveren om ook nu relaties aan te gaan.’’
N.a.v: Establishing boundaries: Christian-Jewish relations in early council texts and the writings of church fathers. Door F.J.E Boddens Hosang. 204 blz.
Bron: Hanneke Goudappel / Friesch Dagblad (11-09-08)
Het interuniversitair Centrum voor Patristische Studies (CPO) is een initiatief van
de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg.
Op alle pagina's is deze disclaimer van toepassing. (c) 2007 |