De weerbarstigheid van de kerkvaders en van de patristiek

Toespraak, 13 juni 2008

Op 13 juni 2008 sprak prof.dr. Paul van Geest, directeur van het Centrum voor Patristische Onderzoek de volgende toespraak uit bij gelegenheid van de eerste publieksdag van het centrum. Hieronder is de integrale tekst weergegeven.

Op 1 december hebben de decanen van de twee theologische faculteiten, prof. dr. Adelbert Denaux en prof. dr. Bram van de Beek een interuniversitair Centrum voor Patristisch Onderzoek opgericht: het CPO. Dat lijkt zinnig. In het werk van de kerkvaders is namelijk een vruchtbare wisselwerking te constateren tussen de betrokkenheid op de Schrift enerzijds en de traditie anderzijds die zij mede gestalte geven. Vroegchristelijke schrijvers zijn interessant omdat zij de identiteit van christenen bestendigden in pluriforme samenlevingen. Zij leverden een bijdrage aan de inculturatie van het christendom door op kritische wijze verbindingen aan te gaan met de filosofische scholen in hun tijd. Bovendien zijn kerkvaders van belang voor de oecumene. Zij behoorden immers tot de ene, ongedeelde kerk. Hun werken maken dus deel uit van een gemeenschappelijke traditie.

Hoe verheugend deze ontwikkelingen ook zijn toch dringen zich twee vragen op. Realiseren voorstanders van de patristiek zich hoe weerbarstig kerkvaders eigenlijk zijn? Zij vertegenwoordigen namelijk een veelvoud aan theologieën, die ontstaan zijn in een periode waarin er nog geen overheersende en uniforme theologie was. En zijn zij zich ervan bewust hoe weerbarstig de patristiek als wetenschapsdiscipline is? In de afgelopen eeuwen ontwikkelden zich in het vakgebied tendensen, waar kerkelijke overheden niet van gediend waren.

Met telkens slechts één voorbeeld zal ik de respectievelijke weerbarstigheden verduidelijken.

II

In de Verlichting kende de patristiek in Frankrijk een grote bloei. Maar de zogenaamde ‘Gallicaanse’ patristici vatten geloof en rede als tegenpolen op. Doorstond een pauselijke dogma de historisch-kritische proef niet, dan werd het niet als relevant beschouwd. De Gallicaanse geleerden raadpleegden het werk van de vaders ook om het gezag van de paus gerelativeerd te krijgen . Zo werd p atristiek tot een verdacht vak.

Dit laatste hield ook verband met het feit dat de weerbarstigheid van de Fransen weerklank vond in Italië. I n de achttiende eeuw namen de bisschop van Pistoia en enige aristocraten de gallicaanse , aan de patres onttrokken, argumenten over om aan te tonen dat in de vroege kerk de macht bij de locale bisschoppen lag en niet bij de paus in Rome . Zij kondigden hun inzichten af op de anticuralistische synode van Pistoia in 1786 . Wie de akten van dit concilie bestudeert, merkt al gauw dat het pastoraal concilie te Noordwijkerhout braaf was in vergelijking met wat de Italianen aan kritiek op paus en curie hadden. Patristiek bleef voor Rome in deze tijd een verdachte, te kritische wetenschap , die de kerkelijke leer aantastte . Het vak werd gezien als discipline van querulanten zoals gallicanen, jansenisten en oudkatholieken werden beschouwd . Het leergezag trachtte het belang van de patristiek dus te verminderen. Pas op 24 mei 1931 verklaarde paus Pius XI de patrologie tot een verplicht vak. De schrik heeft er lang ingezeten.

III

De weerbarstigheid van de kerkvaders zélf is goed te zien in de ontwikkelingen rond de theorie van de consensus quinquesecularis. Hierin werd de kerkvaders van de eerste vijf eeuwen een volmaakte overeenstemming in hun gedachten over het geloofsgoed toegeschreven. Vanaf de Karolingische tijd al waren fragmenten uit hun werk zó geselecteerd dat deze consensus ontstond. Maar integrale edities van hun werk in de tijd van het humanisme deden inzien dat kerkvaders zélf niet eensgezind waren niet in hun uitleg van het credo of van de geloofspraktijken. Uit de talrijke voorbeelden waarmee deze dissensio patrum te illustreren is, volgt hier een relatief onschuldig. Rond 390 ontstond een polemiek tussen Hieronymus en een zekere Jovinianus. Jovinianus meende dat het leven van religieuzen niet hoger of verdienstelijker was dan het leven van gehuwden. Kerkvader Hieronymus had hier in 393 furieus op gereageerd. Hij bracht het huwelijk in verband met het slechte lichaam en omschreef het als braaksel waar geen weduwe naar terug wilde keren. Augustinus bestreed hem deze opvatting. Hij stelde dat het huwelijk goed is omdat het voortbrengen en opvoeden van kinderen ouders verheft, evenals hun trouw. Bovendien zag hij in het verlengde van de trouw de band tussen Christus en zijn kerk in het huwelijk. Hij weigert zoals Hieronymus ook de keuze tussen huwelijk en het geestelijk leven als keuze tussen goed en kwaad te zien. Alle levensstaten zijn goed; de geestelijke is alleen een ‘hoger goed’.

Dit kleine voorbeeld leert dat wie, zélfs in o pvatting en van twee ‘erkende’ kerkvaders , naar consensus zoekt om er een eigen theorie door te schragen, zichzelf ongeloofwaardig maakt en erkende kerkvaders onrecht aandoet. Die waren niet zo eensgezind.

IV

Niet alleen hun visie op het huwelijk verschilde. Augustinus en Hieronymus benaderden de christelijke schrijvers vóór hun tijd ook verschillend. In hun benaderingen weerklinkt de opmaat tot het verschil tussen patristiek en patrologie.

Hieronymus vervaardigde De viris illustribus. Hierin nam hij in 135 hoofdstukken een biografie en soms een beredeneerde bibliografie op van de auteurs die hij kende. Augustinus verweet hem dat hij orthodoxe, ketterse en niet-christelijke auteurs zonder onderscheid had opgenomen. Hij wreef Hieronymus aan dat deze zich te weinig had laten leiden door gerichte, leerstellige vragen.

De patrologie ontwikkelde zich in de lijn van Hieronymus. Het werd een vak dat eerder beschrijvend dan leerstellig was. In de patrologie werd bijvoorbeeld door tekstuele kritiek de volledigheid of authenticiteit van een tekst vastgesteld. Ook de bestudering van sociale, culturele en religieuze context van de vaders (Sitz im Leben) werd eerder tot de patrologische dan de patristische benadering gerekend.

In de lijn van Augustinus liet de theologia patristica zich sinds 1800 door leerstellige vrag en bepal en. Men zocht naar fragmenten in de vroeg-christelijke werken om daar later geformuleerde dogma’s mee te onderbouwen. In een later stadium ontwikkelde de patristiek een grote gevoeligheid voor de sensus fidelium bij de interpretatie van de werken van de vaders. Onder sensus fidelium wordt het geloofsbeleven verstaan van de gemeenschap van christenen van alle tijden en plaatsen. Er werd ook rekening gehouden met de omvormende en traditie-vernieuwende kracht die vroegchristelijke werken binnen de christelijke gemeenschappen als interpretatie-, communicatie-, en receptiegemeenschap kunnen hebben. Ten slotte verdisconteerde de patristische benadering dat christenen zich over het algemeen begijpen als aangesproken door God middels de woorden van de Schrift. Het gezag van vaders zagen zij in het verlengde hiervan. De vaders werden namelijk als geloofwaardige getuigen en interpreten van de Schrift gezien.

De patristische benadering draagt natuurlijk een aantal gevaren in zich. Het grootste gevaar is dat werken van de kerkvaders beschouwd worden als steengroeven, waaruit antwoorden kunnen worden gehouwen op vragen die niet de vragen van henzélf waren. Het bouwwerk dat dan wordt opgetrokken, kan indrukwekkend zijn. Maar het kan tegelijk een ideologisch karakter hebben.

Een strikt patrologische benadering kent echter ook gevaren. Ten eerste is het een achterhaald idee te denken dat een tekst geanalyseerd wordt met een zuiver wetenschappelijke gevormde geest, die op een met volmaakte objectiviteit geplaveide weg tot definitieve resultaten komt. Een uitsluitend patrologische benadering kan daarnaast ook leiden tot een eenzijdig subjectivisme in de interpretatie van de geschriften van de vroeg-christelijke auteurs.

Zo behoedt de patrologische benadering de patristische voor het onkritisch optrekken van een dogmatisch en ideologisch lucht kasteel. Als patristici hun bouwwerken niet baseren op inzichten uit de patrologie, dan worden deze weggespoeld door de slagregen van vragen naar het ontstaansmilieu, de overlevering, het genre en de stijl van het vroegchristelijke werk. Zij zijn dan helaas niet als de man, die zijn huis op de rots bouwde (Luc. 6: 47-49).

De patristische benadering behoedt de patrologische weer voor een subjectivistische en vrijblijvende benadering van de vaders. Zij kan niet zonder de patristische gevoeligheid voor de se nsus fidelium . Inmiddels is het besef gegroeid dat nieuwe kennis niet alleen door individuele denkexercities opgedaan wordt, maar ook door een op gedeeld begrip (‘Verständigung’) gericht communicatief handelen (Habermas). Daarom alleen al is de verdiscontering van de sensus fidelium in de patristische benadering gelegitimeerd.

Hier dringt zich toch een vergelijking op. Aan de Nederlandse universiteiten wordt de breuklijn tussen religiewetenschappen en theologie steeds meer zichtbaar. De patristische en patrologische benadering lijken een voorbode. Patrologen bestuderen immers de literaire en historische aspecten van de kerkvaderlijke werken. Zij onderzoeken hoe de vaders over God spreken. Zo ontwikkelt religiewetenschap zich tot discipline, waarin in kaart wordt gebracht wat mensen over God zeggen en hoe zij dit doen. De patristici verdisconteren in hun onderzoek dat de vaders zich door God hebben aangesproken geweten. Dit doen hedendaagse theologen ook. En zoals in de theologie wordt er in de patristische benadering van uitgegaan dat aan de rede een ‘werkelijkheid’ vooraf is gegaan, die de rede overstijgt.

Religiewetenschappers kunnen dus van patristici leren dat een affiniteit voor de communicatie-, interpretatie-, en receptiegemeenschap die de kerk van alle tijden is, het zicht op de kracht van de oude teksten verdiept. Theologen kunnen van de patrologen leren dat een historisch-kritische, tekstkritische of literaire analyse van een tekst noodzakelijk is om niet ideologisch te gaan zweven.

Nu is het interessante dat patristiek en patrologie vanaf de achttiende eeuw verschillend in aanzet zijn, maar in het theologische onderricht vandaag de dag vervlochten zijn geraakt. Hoe weerbarstig de patristiek ook werd ervaren, voorbeeldig is nu haar eenheid met de patrologie. Geleerden hebben dus ooit ingezien dat het samengaan van de patristische en de patrologische benadering in de studie van de vroeg-christelijke auteurs hen zou behoeden voor de gevaren waaraan nu religiewetenschappers enerzijds en theologen anderzijds zich blootstellen als zij zich van elkaar vervreemden.

Hoe dan ook: de patristische en de patrologische benadering zijn onlosmakelijk verbonden en beide noodzakelijk voor het vinden van een eigen antwoord op de vraag wie God is. Dit antwoord vinden wij meer dankzij dan ondanks de weerbarstigheid van de kerkvaders.

Het interuniversitair Centrum voor Patristische Studies (CPO) is een initiatief van
de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg.
Op alle pagina's is deze disclaimer van toepassing. (c) 2007