Hoe Augustinus opdook in Erfurt

Nieuwsbericht, Arnold Smeets, 24-04-08

De straten van de hoofdstad van Thüringen glimmen door de regen. Erfurt oogt anders dan in de folder van het hotel. De torens, waar Luther de stad ooit om roemde, zijn mooi maar niet zo fraai en indrukwekkend als op de foto van de schitterende zonsondergang. De reden van mijn bezoek behoeft geen toeristisch weer. De gewürzkaffee smaakt best en ik blader nog maar eens door aantekeningen en meegenomen krantenknipsels.

"Augustinus hield briljante preken” kopte dagblad Trouw op 25 maart en daarmee werd, iets eerder dan gepland, het nieuws bekend van de vondst van een zestal onbekende preken van de kerkvader uit Hippo. Het bericht zal niet aan elke ontbijttafel voor opschudding gezocht hebben maar dat laat onverlet dat het om wereldnieuws gaat. Dit is een belangrijke vondst. Later op de dag zal ik de vondst met eigen ogen zien (en met eigen handen vasthouden – en ook nog eens zonder handschoenen) en de ontdekkers ontmoeten. De universiteitsbibliotheek Erfurt heeft een bijeenkomst voor pers en belangstellenden georganiseerd waarbij de ontdekkers beschikbaar zijn voor interviews. Op naar de campus, naar de Sonderlesesaal van de universiteitsbibliotheek. Daar wacht Band Dep. Erfurt CA 12 11 uit de Bibliotheca Amploniana. Op de Juri Gagarin Ring rijdt nog één trabant.

In 1412 schonk Amplonius Rating de Berka een collectie handschriften ten dienste van de studenten van het door hem gestichte Collegium Porta Coeli. Deze collectie vormt het hart van de Bibliotheca Amploniana, een collectie van wereldfaam, die bewaard wordt in de in 1994 heropgerichte bibliotheek van Erfurt. De theologische faculteit heeft tot taak de collectie te beheren en door onderzoek te ontsluiten. Er is een halftijds wetenschappelijk medewerker en er zijn onderzoeksbeurzen.

Isabella Schiller vertelt dat ze in de zomer van 2007 Erfurt bezocht. Het was de laatste halteplaats in haar onderzoekproject: het catalogiseren van handschriften met teksten van Augustinus of aan hem toegeschreven teksten in de bibliotheken van de nieuwe Duitse deelstaten. De Wende opende deuren die voorheen gesloten waren. Schiller deed haar onderzoek in opdracht van de Weense Akademie van Wetenschappen. Ze werd begeleid door Clemans Weidmann en Dorothea Weber, twee Augustinus-experts van de Kirchenväterkommission.

We staan voor de tafel waar het handschrift met de ontdekte preken ligt. Ik vraag Isabella Schiller of ze een alinea Augustinus wil voorlezen. Speciaal voor de camera neemt ze het handschrift in haar handen. ‘Si fides advit’, klinkt het. Zo begon ooit Augustinus zijn preek over de heilige Marcellinus, die vanaf nu bekend staat als sermo Erfurt 5.

Band Dep. Erfurt CA 12 11 behoorde tot de manuscripten uit Erfurt die Schiller voor haar onderzoek raadpleegde. Het handschrift is in 1887, zij het zeer globaal, beschreven. Bekend was dat de bundel een zeventigtal preken bevatte van verschillende kerkelijke auteurs, waaronder Augustinus. Meer niet.
‘Ik ben ongeveer drie dagen met dit handschrift bezig geweest’, zegt Schiller, ‘en ik werd wanhopig toen ik verschillende teksten niet kon identificeren. Noch de databanken noch de literatuur brachten me verder. Het was erg onbevredigend en het enige wat ik nog kon doen was in Wenen met mijn collega’s overleggen of daar zelf nog verder te gaan zoeken.’ Geen eureka ervaring dus? ‘Nee, van een ervaring was geen sprake. Dat gebeurde eigenlijk pas in Wenen toen mijn collega dr. Weidmann me vertelde dat om het niets minder dan een echte Augustinustekst ging. Toen moest ik toch even gaan zitten. Het was een verrassende en eigenlijk overweldigende ervaring.’

De blijde boodschap van Weidmann kwam dan wel voor Schiller als het ware uit de lucht vallen, het is niet zonder nader onderzoek tot stand gekomen. Clemens Weidmann onderzocht de tekst op voor Augustinus specifiek taalgebruik en andere kenmerken. Langzaam begon het helder te worden: deze tekst is van Augustinus! Dat was het moment dat Weidmann zijn collega’s alarmeerde. Ik vraag aan Dorothea Weber of de vondst voor haar een verrassing was. ‘Dit concrete geval: ja absoluut. In zijn algemeenheid heb ik altijd gedacht – en dat denk ik nog steeds – dat er nieuwe teksten op kunnen duiken. Ik kan me niet voorstellen dat dit alles is.’

Wanneer was het voor u zeker? Weber kijkt naar haar collega Weidmann. ‘Ongeveer 10 minuten nadat we hadden vastgesteld dat Possidius de teksten noemt. De overeenkomsten tussen de titels van Possidius en de opschriften in het handschrift waren zo overduidelijk dat er geen twijfel mogelijk was.’ Ze beschrijft de euforie in de Weense wetenschappelijke burelen.

‘Eerlijk gezegd hebben we niet verwacht dat de vondst zo veel reacties zou uitlokken. Ook al omdat we ons slechts beetje bij beetje realiseerden dat niet alleen de drie preken die Possidius noemt van Augustinus zijn maar ook nog drie andere preken.’ Was dat misschien niet een nog grotere ontdekking? ‘Ik weet het niet’, zegt Weber, ‘wir waren in ein Hochgefühl überhaupt, da kann ich nicht sagen das eine war mehr oder weniger. Es war einfach... pfuhh...’. Het is me duidelijk.

De wetenschappelijke wereld wacht op de tekstkritische editie in de Wiener Studien – zelden zal zo naar een editie van het tijdschrift uitgekeken zijn. Weber ziet er de humor wel van in. Pas dan kan de impact van de teksten nader bepaald worden. De verwachtingen zijn hooggespannen. In Trouw en een bericht op de site katholieknederland.nl van 25 maart j.l. wees professor Paul van Geest (hoogleraar Augustijnse Studies en directeur CPO) vooral naar sermo Erfurt 5 over Marcellinus. Daarover later.

Eerst sermo Erfurt 1 over Perpetua en Felicitas. De tekst was, zo Clemens Weidmann deels bekend. Het geheel bevestigt onze kennis van denkbeelden en overtuigingen van Augustinus en biedt geen aanleiding om bijvoorbeeld het vrouwbeeld van Augustinus te nuanceren.

Weten we wie Marcellinus is? Weber: ‘Nee, de naamgeving van de preek is naar alle waarschijnlijkheid een latere toevoeging, genoteerd door de samensteller van het handschrift. Het heeft niets van doen met het authentiek-historische, alsof er in Hippo op die en die dag een preek over Marcellinus gehouden werd.’ Het gaat dus niet om paus Marcellinus? ‘Dat zou een mogelijkheid zijn maar waarschijnlijker is dat het hier om het paar Marcellinus en Petrus gaat die op 2 juni hun feestdag hebben. De preek staat namelijk in een chronologische cyclus van preken door het kerkelijk jaar en past op de datum van 2 juni.’ De preek gaat over het geloof in de opstanding der doden. Het is volgens Weber een tamelijk simpele preek die basisfeiten van het geloof analyseert en probeert te bewijzen waarom geloven nodig, zinvol en mogelijk is. Op grond hiervan heeft Isabella Schiller geopperd dat het hier om een preek aan pas gedoopten gaat. Ik dring nog even aan maar volgens Clemens Weidmann klinken er in de preek geen echo’s van de grote theologische debatten, zoals tegen de Donatisten. Hij begrijpt wel dat de naamgeving aanleiding geeft tot speculaties maar de tekst herbergt geen sporen van een theologische tegenstander.

De preek over Cyprianus dan. Weber: ‘Dit is een interessante preek, filologisch omdat het er op lijkt dat de tekst in het midden een gat heeft, en historisch omdat deze preek vrij nauwkeurig te lokaliseren en te dateren is. Zoals de meeste preken over Cyprianus is de preek in Carthago gehouden. Het gaat over het martelaarschap van Cyprianus. Van hem wordt verder alleen gezegd dat hij een belangrijke doctor was. Tegen het eind komt Augustinus te spreken over het gebruik bij dit soort gedenkdagen drinkgelagen aan te richten. Hij keurt dit af. “We moeten de martelaren niet vervolgen met kelken wijn, zoals de heidenen ze met stenen vervolgden”, zegt Augustinus dan. We weten dat dit gebruik op een gegeven moment verboden is en dat is het argument om de preek vroeg te dateren – 401.’

Tijdens het interview stonden we rond het handschrift. We moeten onze plek afstaan aan andere bezoekers van de presentatie. Ook op afstand is de tand des tijds zichtbaar. Het handschrift is niet alleen oud en verweerd maar ook duidelijk intensief gebruikt. Een medewerkster van de bibliotheek wijst op slijtageplekken, op de middeleeuwse versie van onze ‘post-it’ blaadjes en het handschrift wordt gewogen. Ineens houd ik het 12e eeuwse manuscript met de ontdekte Augustinuspreken vast.

Met Schiller praat ik nog wat na over haar verrassingsgevoel. De ontdekking maar ook de reacties en belangstelling vindt ze een prachtige ervaring. Door de presentatie van vandaag mist ze een ouderavond op de middelbare school waar ze werkt – wat ze niet echt erg lijkt te vinden. Binnenkort gaat ze verder werken aan haar proefschrift.

Ik neem afscheid van Clemens Weidmann en Dorothea Weber. Eind mei zal ik hen opnieuw ontmoeten voor een interview en dan kunnen zij hopelijk meer vertellen over de impact van de vondst en de reacties op de tekstkritische uitgave van de eerste drie preken in Wiener Studien.

Op dat moment komt er een groep Augustinusliefhebbers uit Würzburg binnen – of ik het instituut in Eindhoven ken. En dan gaat hun aandacht vanzelfsprekend ten volle uit naar de ontdekkers en de aan de sluier van de geschiedenis onttrokken preken van Augustinus van Hippo.

Dr. Arnold Smeets is programmamaker bij de KRO en medewerker van het CPO.

Zie voor meer informatie en een webvideo van het interview: KatholiekNederland.nl.

Op 8 juni aanstaande wordt in het RKK radioprogramma Verum Bonum Pulchrum een gesprek over de Augustinuspreken. Gasten prof. Paul van Geest, dr. Clemens Weidmann en PD dr. Dorothea Weber. Uitzending om 23.00uur op Radio 5.

Het interuniversitair Centrum voor Patristische Studies (CPO) is een initiatief van
de Theologische Faculteit van de Vrije Universiteit te Amsterdam en de Faculteit Katholieke Theologie van de Universiteit van Tilburg.
Op alle pagina's is deze disclaimer van toepassing. (c) 2007